De historie van het Old Burger Weeshuis Sneek

Het verhaal van het Old Burger Weeshuis begint bij de oprichting in 1581. Het waren roerige tijden in de 16deeeuw. Friesland was een landstreek waar vooral kloosters de macht hadden. Het was een tijdsgewricht waarin de strijd om de macht centraal stond: Friese oorlogen, de Spaanse bezetting en de daaropvolgende Opstand, ofwel de Tachtigjarige Oorlog. Dat weerhield de mensen echter niet om zich om elkaar te bekommeren. 

Er gingen heel wat gebeurtenissen vooraf aan de oprichting van het Old Burger Weeshuis, die mede het jarenlange beleid hebben bepaald. Het waren woelige tijden. De Beeldenstorm, in 1566, in het zuiden van het toenmalige Nederland wordt gezien als het begin van de Tachtigjarige Oorlog, waarbij de Nederlanders in opstand kwamen tegen de Spaanse bezetters. De vernielingen kwamen voort uit calvinistische motieven, echter werden deze ook gevoed door onvrede jegens allerlei zaken. Het land had economische problemen, door een mislukte oogst leed men honger en men moest niet zoveel hebben van de katholieke Spaanse machthebbers. 

Leegloop en plunderingen van Friese kloosters

In de jaren 80 van de 16deeeuw, toen de Nederlandse opstand al enkele jaren vorm had aangenomen, verlieten de katholieken de Friese kloosters vanwege het wraakzuchtige volk, dat de katholieken verweet Spaansgezind te zijn. 

In Sneek kregen de calvinisten de macht, daarop volgde inbeslagname van het intussen verlaten kloosterbezit. Er vonden plunderingen plaats van de kloosters, waarop de overheid besloot in te grijpen en de gedeputeerden van Friesland de macht overnamen. 

Aan de inname van de kloosters was veel onwettig, echter werd er bestuurlijk door de provincie als de grietenij (voorloper van de gemeente) in berust. De kloostergebouwen, voor zover ze niet gesloopt waren, werden overgedragen aan gemeenten of aan mensen die belang hadden bij de stenen. Ze moesten worden afgebroken, omdat de vijand zich erin kon verbergen. 

Oprichting van het OBW in 1581

Door de inname van de kloostergoederen had Sneek openlijk voor de Opstand gekozen en dus tegen Spanje. Dat betekende dat Sneek risico liep om aangevallen te worden door de katholieke en Spaansgezinde troepen. Toch weerhield dat de Snekers niet om het weeshuis op te richten. 

De in beslaggenomen kloosterbezittingen werden bestemd voor het onderhoud van “arme weezen, geboren van burgeren van voorschreven stede.” In feite betekende dat de oprichting van het Old Burger Weeshuis, al kreeg het die naam nog niet. Dit vond plaats in 1581, maar al eerder had de Sneker raad belangrijke besluiten genomen. In april 1580 werden de landerijen van het voormalig klooster “Hospitaal” verhuurd aan de armste burgers. 

De opbrengsten van de verpachte landerijen zorgden voor de een goede financiële fundering voor het weeshuis.  Het ‘Kruisebroeders’ klooster, dat binnen de stadvesten bevond, werd benut voor het onderhoud en opleiding van de wezen. Het was een protestants weeshuis, wat moedig was omdat een verzoening met de koning daardoor uitgesloten was. En de uitslag van de opstand was niet te voorspellen. 

Plechtige opening 

Bij de oprichting in 1581 werd een plechtige opening gehouden op 29 maart 1581. De burgemeester en bestuurders openden het weeshuis en de eerste kinderen werden er geplaatst. Daarover staat in de geschiedboeken geschreven:

Op heden den 29 Martií zyn Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der stad Sneek eendragtelyk van den Raadhuise na ’t Cruícebroederen Clooster gegaan en hebben aldaar ingebragt dese nabeschrevene weeskinderen, by namen:

Syds 16 en Sy 14 jaar oud, Romke Smids dogteren

Durkjen 14 en At 18 jaar oud, Seuke Oppe Toornwagters dogteren.

Stoffel 17 jaar oud, Egbert Bierdragers zoon.

Folkert 16 jaar oud, Wytie Gootlings zoon.

Hindrik 10 jaar oud, Albert Hindriks Graskers zoon.

Sjuwke 12 jaar oud, Sjurds dochter.

Reilof 16 jaar oud, Jan Glaasmakers zoon.

Wytje 13 jaar oud, Sybrens dochter.

Nel 15 jaar oud, Sybrens dochter

Hans 15 jaar oud, Jans zoon. 

Wie de eerste weesvader en weesmoeder zijn geweest is niet bekend. Wel is bekend dat ene Gerben Jacobsz de eerste boekhouder was, uit een door hem opgemaakte verantwoording van 11 april 1582. 

Reglement van het OBW in 1581

In het reglement dat bij de oprichting van kracht was stond het volgende beschreven. 

  • De nog in leven zijnde kloosterlingen kregen voor de rest van hun leven ondersteuning uit de opbrengsten van de landerijen.
  • Niet iedereen kwam in aanmerking voor plaatsing in het weeshuis. Alleen kinderen van burgers van Sneek hadden dat recht.
  • Er werden geen gehandicapte kinderen toegelaten, alleen kinderen die in staat waren een ambacht te leren. Het weeshuis was niet ingesteld op verpleging.
  • Uit een gezin mocht niet meer dan één jongen of één meisje worden toegelaten, al werd die bepaling al bij de eerste bewoners niet nageleefd. 
  • Er werden geen buitenechtelijk kinderen in het weeshuis opgenomen
  • Minimumleeftijd was drie en als je twintig was moest je het huis verlaten. 

Voor het verkrijgen van burgerrechten moest je enkele jaren in Sneek wonen, een toelatingseed hebben afgelegd en entreegeld betalen. Voor de wezen die niet tot het OBW behoorden, werden alsnog voorzieningen getroffen. Deze waren alleen van lagere kwaliteit dan het OBW. 

In de kledingvoorschriften stond dat de bewoners van het weeshuis kleding van zwarte en gele kleur moesten dragen: de kleuren van Sneek.

Onderwijs

Het was vrij streng in het weeshuis. De kinderen kregen in het weeshuis les in lezen, schrijven en rekenen en ook godsdienst. De meisjes kregen huishoudelijke vakken en de jongens leerden een ambacht. Als een wees 20 werd moest hij het huis verlaten, maar dan kregen ze een uitzet mee en hetgeen wat zij al in bezit hadden. 

Van zorg voor iedereen naar strikte scheiding 

In deze tijd hadden overheden een duidelijk humanistische voorkeur voor een centrale armenzorg. In 1585 bedeelden stedelijk armvoogden nog zonder onderscheid naar religie en in overleg met de diakenen. De tijden veranderden echter. De diaconie paste slecht in een humanistisch systeem van armenzorg. In 1610 werd er een strikte taakverdeling afgesproken: de diakenen bedeelden alleen hun lidmaten en de armvoogden alle anderen. Onder de armvoogden vielen ook de wezen. Het contract voorkwam dubbele bedelingen. 

Burger Weeshuis werd Old Burger Weeshuis

De naam Old Burger Weeshuis kwam in 1675, toen er een nieuw weeshuis werd gesticht, bedoeld voor kinderen die niet tot de doelgroep van het OBW behoorden. Omdat er een nieuw weeshuis kwam, kreeg dit weeshuis vanzelf de benaming ‘Old’. Een van de redenen voor het nieuwe weeshuis was dat er in het OBW maar één jongen en één meisje uit hetzelfde gezin geplaatst mocht worden. 

Het Old Burger Weeshuis in de 18eeeuw

In de 18eeeuw veranderde er veel in de stad. Het wordt wel de eeuw van verval genoemd, of de regententijd. De invloed van het stadsbestuur of de stadhouder was groot. Voor het verkrijgen van allerlei functies moest fors worden betaald. De plaatselijke bestuurders staken dat geld in eigen zak. Een voorbeeld is burgemeester De Blau, die het presteerde zijn zoon van elf jaar tot gemeentesecretaris te laten benoemen.  

Rond het OBW veranderde niet veel, behalve dat de voorwaarden tot plaatsing werden aangescherpt. Wiens vader niet in het burgerboek stond, of de ouders niet minimaal 50 jaar in Sneek hebben gewoond of gewerkt, werd niet toegelaten. 


Als weeskinderen het huis verlieten kregen ze een uitzet mee. Een overzicht daarvan, werd door burgemeester en wethouders in het jaar 1700 als volgt beschreven: 

De meiskens

  •  6 goede en bequame hemden
  • dubbele kleedinge voor Sondags en daags 2 borstrokken
  • 2 overlijven
  • 2 daags rokken
  • 1 schort
  • 1 Sondagsrok
  • 1 Sondagsschort
  • 6 blauwe of witter schorteldoeken
  • 6 mutsen
  • 6 halsdoeken
  • 2 paar hosen (kousen)
  • 2 paar schoenen

Voor de knechtkens 

  • Gelijk getal geode en bequame hemden
  • 1 onderkleed voor daags
  • 1 id. voor Sondags
  • 1 bovenkleed voor daags
  • 1 id. voor Sondags
  • 6 dassen
  • 6 neusdoeken
  • 2 paar hosen
  • 2 paar schoenen
  • 2 hoeden

Afname aantal wezen 

In 1773 liep het aantal wezen terug. De Diaconiewezen werden overgebracht naar het Old Burger Weeshuis, omdat het Stads- en Diaconieweeshuis werd opgeheven. In het OBW waren toen tien wezen, in het Stads- en Diaconieweeshuis dertien. 

Het OBW was een protestants weeshuis, de wezen in het OBW waren dan ook nazaten van de ‘publique kerk’. In dit jaar werden ook wezen die geen nazaten van de publique kerk waren opgenomen. 

Aanpassing leeftijdsgrens in 1788

De leeftijd van de wezen werd in 1788 aangepast. Alleen wezen tussen vijf jaar en achttien jaar – het was tussen drie en twintig jaar – werden opgenomen. Wie niet in deze categorie thuishoorde kwam ten laste van de stad. 

De Franse tijd en de bezuinigingen

De Franse troepen namen in januari 1795 Amsterdam in, dat was het begin van de Bataafse republiek. Het stadsbestuur aldaar werd overgenomen door Amsterdams Comité Revolutionair en zij verklaarden de inwoners van Amsterdam als ‘vrij’. Daarna werden de eerste plaatselijke algemene verkiezingen georganiseerd.  Op 29 januari werd Sneek ‘bevrijd’ en de municipaliteit ingesteld. Er werd een stadsbestuur gekozen. 

Het waren tijden waarin flink bezuinigd moest worden. De sommen voor de uitzet van de ontslagen wezen werden ingekrompen. In 1796 besloot het landsparlement tot scheiding van Kerk en Staat, waardoor de eigendommen van de hervormde kerk werden genationaliseerd. De voogden van het Weeshuis probeerden aan onteigening te ontkomen door te stellen dat zij aan hun goederen waren gekomen door aankoop, donaties, legaten en testamentaire disposities. Zij hadden de inkomsten van de landerijen namelijk hard nodig. Het aantal wezen ten laste van het OBW was gestegen tot 60. 

Oorlog kostte het OBW geld

In de geschiedboeken wordt geschreven dat het OBW vermogend was. Het totale vermogen van het OBW, denk aan het land, gebouwen en leningen aan stad en particulier werd in deze tijd geschat op ruim 120.000 gulden. Maar de komst van de Fransen bracht oorlog met Engeland met zich mee en dat kostte veel geld. In 1796 werd het OBW gedwongen een lening aan de overheid te verstrekken, om de oorlog te bekostigen. Van instellingen als het OBW werd een zesde deel van het vermogen geëist, dat in contanten moest worden betaald.  Omdat vanwege deze eis veel instellingen land probeerde te verkopen om aan die contanten te komen, daalde de prijs van de grond. Het OBW kreeg het bedrag bij elkaar door te lenen van Snekers en van een inwoner van Terhorne. Een jaar later werd er nog eens een bedrag van 28.000 gulden geëist, wat deze keer alleen opgebracht kon worden door stukken land en enkele boerderijen te verkopen. 

Opname van katholieke wezen

In 1808 barst de strijd om opname van katholieke wezen los. Op 2 augustus verscheen een besluit van Koning Lodewijk Napoleon met betrekking tot de armengestichten en weeskinderen, inclusief de kerkelijken, die voor iedereen toegankelijk moesten worden.

Datzelfde jaar vroegen rooms-katholieke armvoogden het stadbestuur 52 katholieke kinderen tot hun zestiende jaar te onderhouden. Dat werd toegezegd, maar in 1811 door hogere overheden geschrapt. De katholieken probeerden de wezen in het OBW geplaatst te krijgen, maar wilden dat zij in de katholieke godsdienst werden opgevoed. Dat was tegen de uitgangspunten van het OBW en dat verzoek werd dus afgewezen.

In die tijd was een hoge werkloosheid. In sommige steden leefde een derde van de bevolking van bedelarij. De paupers, bedelaars, landlopers, vondelingen en wezen werden naar werkverschaffingsprojecten gestuurd, waar de overheid meende hen onder strenge begeleiding op te kunnen leiden tot zelfstandige pachtboeren. Ook in Sneek werden weeskinderen ‘uitgezonden’.

De katholieken verweten het OBW het weigeren van de wezen, die daardoor naar deze werkverschaffingsprojecten werden gestuurd. Echter, het was op last van de vertegenwoordiger van Koning Lodewijk Napoleon die de betreffende begrotingspost schrapte. 

De armenwet

In 1854 werd de armenwet ingevoerd. De wet regelde dat het grote deel van de zorg voor de armen bij de kerken kwam te liggen en gemeenten slechts aanvullende zorg verleenden. Dit veranderde de situatie in het voordeel van de katholieken, maar dat duurde in Sneek tot 1870 voordat de gemeenteraad de wezenzorg openstelde voor alle gezindten. 
Bij de invoering van die wet probeerde men nog de katholieke wezen buiten de deur te houden, door een reglement waarin stond dat het kind tot de hervormde kerk moest behoren. De Gedeputeerde Staten gaven echter geen goedkeuring voor. 

In 1871 kwamen de eerste katholieke kinderen onder de paraplu van het OBW, maar ze werden ondergebracht in katholieke gezinnen, waarvoor de stichting betaalde. 

Maatschappelijke veranderingen

Nederland veranderde in de 19de eeuw. Het land werd liberaler. In 1848 werden in de grondwet zaken opgenomen als recht van vereniging en vergadering, vrijheid van onderwijs en onschendbaarheid van het briefgeheim. Hoewel het OBW wordt omschreven als een organisatie die met moeite met de veranderingen in die tijd meebewoog. Al kregen de wezen wel meer kansen dan vroeger. Zo kwam een wees voor 1860 niet verder dan een eenvoudige beroepsopleiding; nu waren er pupillen die een opleiding tot zilversmid of onderwijzer volgden of de HBS doorliepen. Ook werd een pupil die het weeshuis verliet en zich buiten Sneek vestigde nog begeleid en als nodig financieel ondersteund. 

Aantal wezen begon terug te lopen 

In 1881 verbleven er 19 jongens en 35 meisjes in het weeshuis en daarbuiten waren er 13 jongens en 15 meisjes in pleeggezinnen geplaatst en buiten Sneek nog eens 8 jongens en 9 meisjes. In totaal 99 pupillen. Na 1900 liep dit aantal aanzienlijk terug.

Omdat het aantal wezen verminderde, kreeg het OBW steeds meer een maatschappelijke taak. Door de economische malaise werden er door het weeshuis ook half-wezen verzorgd. 

Opvoeding veranderde ook 

De opvoeding was vroeger vooral op tucht gebaseerd, in de loop der tijd veranderde die instelling. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de kleding. De uniforme zwart-gele kleding die voorgeschreven was, verdween. De wezen droegen zwarte kledij, de jongens met een typerend petje de meisjes met een Fries kanten mutsje en een zilveren oorijzer. In 1931 is de uniforme kleding vrijwel geheel verdwenen. 

Het weeshuis overbodig

Tussen 1931 en 1980 werd de wezenzorg, zoals het OBW die een aantal eeuwen tot zijn zorgenpakket rekende, afgebouwd. In 1980 verdween de doelstelling zelfs uit de statuten. 

Reden hiervoor was de terugloop van het aantal wezen. In 1900 waren dit er nog 66, in 1930 twintig en in 1960 nog twee. In 1962 werd de laatste wees opgenomen. 

De terugloop was een gevolg van externe factoren. Hygiëne en gezondheidszorg verbeterde en de sociale wetgeving zorgde er ook voor dat er minder steun nodig was buiten de overheid om. 

Ook belangrijk was de ontwikkeling van de half-wezenzorg. In 1963 werd er 23.000 gulden uitgegeven aan de halfwezen tegen 6.000 gulden aan de wezen. Dit geld werd ingezet om de ontwikkelingskansen van die kinderen te verbeteren. Eerst deed het OBW dit door subsidies beschikbaar te stellen aan de vereniging die zich inzette voor de halfwezen, vanaf 1922 nam het OBW dit onder haar hoede. 

Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog liet haar sporen na in het werk van het OBW. Van Haersma Buma, burgemeester van Sneek van 1970 tot 1993, beschrijft dat het OBW in 1938 zich bereid verklaart om bedden voor Joods vluchtelingen uit Duitsland af te staan.

In 1944 werd er door het verzet een NSB’er neergeschoten, die mogelijk verraderswerk voor de Duitsers deed. Achter bleek dat de provinciale verzetsleiding geen opdracht had gegeven; het berustte dus op een misverstand. Een twintigtal vooraanstaande Snekers moest als vergelding worden gedood, besloten de Duitsers. Op die lijst stond ook gemeentesecretaris en OBW-regent Ludolf Rasterhoff en OBW-regent W. R. Casparie. 
Rasterhoff werd in de gang van zijn woning door de Duitsers neergeschoten. Door een schampschot aan zijn hoofd werd hij aan een kant doof. Hij hield zich dood en de Duitsers vertrokken zonder te controleren of ze hun werk effectief hadden gedaan. Casparie wist door een tijdige vlucht de dans te ontspringen. 

Het OBW steunde in de oorlog door oorlogsgeweld geteisterde gebieden en de verzorging van getroffen kinderen. Het carillon van de Martinikerk werd in de oorlog geroofd, na de oorlog besloot het OBW een nieuw carillon aan de stad aan te bieden, deze overhandigden zij in 1949. 

Andere rol voor het OBW

De rol die het OBW meer en meer ging spelen is die van instelling van algemene nutte. Men verstrekte subsidies voor maatschappelijke projecten, zoals In 1898 toen zij het Wilhelminapark schonken en in 1949 het carillon. 

Het Fries Scheepvaart Museum kon dankzij het OBW worden gesticht, maar ook het Sneker Studiefonds dat in 1959 werd opgericht om Sneker jongeren te helpen met een studietoelage. En jongerencentrum “De Meerpaal”, de jeugdleeszaal, sociaal-cultureel centrum “Het Bolwerk (nu poppodium) en de Muziekschool, konden worden gerealiseerd door het OBW.  Ook realiseerde het OBW in 1963 77 premiewoningen in de wijk Noorderhoek. En zo nog veel meer maatschappelijke projecten.

In 1964 viel het doek voor de wezenzorg. In 1963 kwam de Algemene Bijstandswet tot stand, waardoor het verlenen van bijstand een overheidstaak werd. Na het wegvallen van de wezenzorg brak de huidige periode aan; het verhuren van het land en het geven van subsidies.

Bronnen: 425 jaar Olde Burger Weeshuis Sneek: Henk Doevendans